Vanaf 12 juni treedt het nieuwe Europees Migratiepact officieel in werking, na jaren van discussies sinds de asielcrisis van 2015. Operationeel betekent dit dat nieuwe asielzoekers vanaf vandaag een snelle screening ondergaan om te bepalen of ze in aanmerking komen voor een versnelde procedure.
Personen uit landen van herkomst met een beschermingskans van minder dan 20% komen in deze versnelde procedure terecht, met een beslissingstermijn van ongeveer twaalf weken.
In België zal naar verwachting ongeveer 40% van de aanvragen in die versnelde procedure terechtkomen, wat een aanzienlijke organisatorische uitdaging vormt voor instanties zoals de Dienst Vreemdelingenzaken.
Lidstaten moeten samenwerken
Gelijkheid en lastenverdeling zijn vooral gericht op de vier landen aan de buitengrens — Griekenland, Italië, Spanje en Cyprus — die verantwoordelijk blijven voor de eerste opvang, de screening en de beslissingen over bescherming of terugkeer.
De andere lidstaten moeten hun samenwerking tonen door geaccepteerde personen op te nemen of een financiële bijdrage te leveren. Politieke veranderingen en persoonlijke afspraken zijn daar al zichtbaar.
Zo streeft Cyprus naar opname, terwijl Spanje kiest voor compensatie. Ook zijn er bilaterale overeenkomsten, zoals die tussen Griekenland en Duitsland, met betrekking tot vluchtelingen die eerder zijn doorgereisd.
Succes niet onmiddelijk zichtbaar
Toch brengt de start uitdagingen met zich mee. Zo is geen enkele lidstaat volledig voorbereid met nationale omzetting, IT-systemen en adequaat opgeleid personeel. Europees commissaris Magnus Brunner benadrukte dat “dit het begin is, niet het einde.”
Succes zal niet onmiddellijk zichtbaar zijn in een daling van het aantal asielaanvragen; wat belangrijker is, is de groei van vertrouwen en samenwerking tussen de lidstaten, evenals de correcte toepassing van de regels.
De overeenkomst is politiek omstreden
Het centrum ziet het als een evenwicht tussen het handhaven van asielrechten en een hardere houding ten opzichte van ongegronde aanvragen, radicaal-rechtse groeperingen vinden het te toegeeflijk, terwijl radicaal-linkse groeperingen het als buitensporig beperkend beschouwen en aandringen op wettelijke alternatieven.
Een belangrijk onopgelost probleem is de terugkeer van afgewezen migranten. Hiervoor is medewerking van hun landen van herkomst nodig en dit wordt gedeeltelijk aangepakt via een afzonderlijke terugkeerregeling en inspanningen om terugkeerhubs op te zetten.












