Moslimjongeren in Nederland worden dagelijks geconfronteerd met discriminatie en uitsluiting, wat een diepe impact heeft op hun welzijn, eigenwaarde en toekomstperspectief. Uit een omvangrijk nieuw onderzoek van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) blijkt dat moslimdiscriminatie inmiddels een structureel en genormaliseerd karakter heeft gekregen in alle geledingen van de samenleving.
Structurele uitsluiting en de 'uitlegrol'
Het onderzoek, een combinatie van literatuurstudie en diepte-interviews met 57 moslimjongeren, schetst de realiteit van een generatie die opgroeit in een context van toenemende polarisatie. Jongeren beschrijven maatschappelijke beeldvorming niet als een abstract verschijnsel, maar als iets dat zij persoonlijk internaliseren. Politieke uitspraken en mediaberichtgeving worden door hen consequent benoemd als bepalend voor een klimaat waarin zij zich "niet echt welkom" voelen.
In alledaagse interacties vertaalt deze druk zich vaak in een voortdurende 'uitlegrol'. Jongeren voelen zich regelmatig gedwongen om als ongevraagd visitekaartje van hun geloof op te treden, waarbij zij misinformatie moeten corrigeren of gebeurtenissen in de wereld moeten verantwoorden waar zij als individu geen invloed op hebben. Deze constante staat van alertheid en zelfbewaking leidt tot een aanzienlijke emotionele en mentale belasting.
Barrières op de arbeidsmarkt en in het onderwijs
De uitsluiting manifesteert zich op zeer concrete wijze in de domeinen die cruciaal zijn voor de toekomst van deze jongeren. In het onderwijs is stagediscriminatie een hardnekkig probleem; vooral moslima’s met een hoofddoek en jongeren met een naam die wijst op een migratieachtergrond worden vaker afgewezen. Dit zet zich voort op de arbeidsmarkt, waar sollicitanten met een zichtbaar islamitische achtergrond tot 40 procent minder kans hebben op een uitnodiging dan kandidaten zonder migratieachtergrond.
Deze barrières dwingen jongeren tot strategische keuzes die hun eigen identiteit raken. Sommigen kiezen ervoor om religieuze betrokkenheid, zoals bestuurservaring bij een islamitische vereniging, van hun cv te verwijderen om hun kansen op een baan te vergroten. Het gevoel dat hun plek in de Nederlandse samenleving voorwaardelijk is, leidt er bij een deel van de jongeren zelfs toe dat zij nadenken over een 'plan B' of emigratie, niet uit een wens om te vertrekken, maar uit zorg over hun veiligheid en vrijheid in de toekomst.
Veerkracht en handelingsvermogen
Ondanks de structurele druk tonen moslimjongeren een indrukwekkend handelingsvermogen, dat volgens het onderzoek kan worden onderverdeeld in vier categorieën gebaseerd op de typologie van Lister:
1) Getting by: dagelijkse strategieën om overeind te blijven, zoals het mijden van negatief nieuws of het tijdelijk verbergen van de identiteit om schade te beperken.
2) Getting back at: alledaags verzet door grenzen te stellen, het gesprek aan te gaan of bewust positieve tegenbeelden te laten zien.
3) Getting out: het maken van strategische keuzes over studie en loopbaan om contexten op te zoeken waar meer erkenning en veiligheid is.
4) Getting organized: collectieve inzet waarbij jongeren hun professionele ambities, bijvoorbeeld in het recht of onderwijs, gebruiken om structurele verandering teweeg te brengen.
Religie speelt hierbij voor velen een centrale rol als stabiel anker en bron van rust. Geloof biedt niet alleen troost, maar fungeert als een praktisch moreel kader dat helpt om onrecht te verwerken zonder te verharden.
Oproep tot institutionele verantwoordelijkheid
De centrale conclusie van het KIS is dat de oplossing niet moet worden gezocht in het vergroten van de individuele weerbaarheid van jongeren, aangezien dit de last van uitsluiting opnieuw bij het slachtoffer legt. Instituties moeten hun verantwoordelijkheid nemen door te investeren in een inclusieve omgeving waar moslimjongeren zich veilig en volwaardig voelen.
Dit vraagt om een verschuiving van 'signaleren' naar structureel handelen. Scholen en werkgevers moeten zorgen voor betrouwbare meldroutes en actief ruimte maken voor normale religieuze praktijken, zoals gebedsruimtes of flexibiliteit tijdens de ramadan. Moslimjongeren vragen namelijk niet om uitzonderingsposities, maar om een eerlijk speelveld en de erkenning dat zij simpelweg onderdeel zijn van de Nederlandse samenleving.







