WERELD
3 min lezen
Nederlandse staat medeplichtig door mogelijk maken misdaden tegen de menselijkheid in Iran
Uit onderzoek blijkt dat de Nederlandse regering in de jaren tachtig op de hoogte was van de plannen van Irak met betrekking tot gifgassen. Desondanks werden leveringen van grondstoffen toegestaan.
Nederlandse staat medeplichtig door mogelijk maken misdaden tegen de menselijkheid in Iran
Het hoofdkantoor van Melchemie in de jaren tachtig in Arnhem (still uit de documentaire Gouden Bergen).

De Nederlandse regering was op de hoogte van de plannen van Irak om gifgassen te produceren. Ondanks deze kennis maakte de regering de levering van essentiële grondstoffen aan Irak mogelijk.

Niet alleen stond de Nederlandse regering de leveringen toe, maar misleidde zij vervolgens ook de Tweede Kamer over de omvang van haar betrokkenheid bij deze export. Essentiële details werden tijdens dit proces achtergehouden. Dit blijkt uit documenten die Follow the Money heeft ontdekt in de archieven van het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Binnenlandse Veiligheidsdienst.

Hoogleraar staatsrecht Wim Voermans stelt dat de Nederlandse regering onvoldoende heeft ingegrepen en de feiten zelfs heeft genegeerd nadat onweerlegbaar was bewezen dat het Iraakse regime oorlogsmisdaden beging.

Leveranciers voor chemische wapens

Een cruciale figuur in het Irak-dossier was de toekomstige VVD-leider Frits Bolkestein. Tussen 1982 en 1986 bekleedde hij de functie van staatssecretaris van Economische Zaken in het eerste kabinet van CDA-premier Ruud Lubbers.

In oktober 1983 reisde Bolkestein voor een handelsmissie naar Bagdad, de hoofdstad van Irak. Op dat moment was het conflict tussen Iran en Irak al drie jaar aan de gang, met duizenden doden tot gevolg. In Bagdad sloot de VVD-politicus een overeenkomst ter versterking van de economische en technische samenwerking.

Op maandag 26 maart 1984 – ongeveer drie maanden na het Iraanse rapport over de gifgasaanvallen – concludeerde de Veiligheidsraad dat er inderdaad chemische wapens waren ingezet in het conflict tussen de twee landen.

Een cruciale vraag was wie de leveranciers waren van de grondstoffen die voor de productie van die wapens werden gebruikt.

Versoepeling van export chemische stoffen

Amerikaanse diplomaten waarschuwden de Nederlandse ambassade in Washington dat Irak van plan was grondstoffen voor de productie van mosterdgas te verzamelen in onder meer Nederland.

Op 27 augustus 1984 ontving het ministerie van Buitenlandse Zaken een brief van de Amerikaanse gezant bij de NAVO. Hij verklaarde dat Washington de uitvoer van de chemische stof dimethylamine en twee andere verbindingen had beperkt vanwege het gebruik ervan bij de vervaardiging van zenuwgassen.

Hij drong er bij ‘alle regeringen’ van de NAVO-lidstaten op aan om dit voorbeeld te volgen.

Desondanks bleef Bolkestein tot het einde van zijn ambtstermijn als staatssecretaris voorstander van een versoepeling van de export van chemische stoffen naar Irak.

In januari 1986 spoorde hij zijn medewerker Hans van den Broek (CDA), de minister van Buitenlandse Zaken, aan om de vergunningslijst terug te brengen tot vijf grondstoffen. Anders zouden Melchemie en KBS Holland in het nadeel komen ten opzichte van hun concurrenten uit België en Luxemburg.

‘Medeplichtigheid van de Nederlandse staat’

De Nederlandse leveringen kwamen minder in de publieke belangstelling te staan nadat Irak en Iran in 1988 een akkoord hadden bereikt. De belangstelling voor de kwestie werd in 2003 opnieuw aangewakkerd toen de zaak rond gifgasdealer Frans van Anraat het nieuws haalde.

Advocaat Liesbeth Zegveld is momenteel betrokken bij het beroep tegen de rechtsopvolger van Melchemie. Zij noemt de documenten “schokkend“, omdat daaruit blijkt dat de Nederlandse regering destijds al veel wist over het Iraakse chemische wapenprogramma, maar niet adequaat heeft ingegrepen.

Zij stelt dat zowel de betrokken bedrijven als de Nederlandse regering verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het toegebrachte leed.

De advocaat wil dat de sleutelfiguren in deze zaak alsnog ter verantwoording worden geroepen. ‘Het lijkt erop dat de Nederlandse regering de leveringen van KBS en Melchemie opzettelijk heeft toegestaan. De verantwoordelijke ministers moeten hiervoor verantwoording afleggen, aangezien dit neerkomt op medeplichtigheid van de Nederlandse staat aan het mogelijk maken van misdaden tegen de menselijkheid.’