POLITIEK
3 min lezen
VVD dient initiatiefwet in voor landelijk verbod op religieuze uitingen bij boa’s
De VVD dient een initiatiefwet in voor een landelijk verbod op religieuze uitingen, zoals hoofddoeken, bij boa's. Waar steden nu zelf de kledingregels bepalen, wil de partij één neutrale lijn. Er lijkt een ruime Kamermeerderheid voor de wet.
VVD dient initiatiefwet in voor landelijk verbod op religieuze uitingen bij boa’s
ARCHIEFFOTO - Diverse gemeenteraden bepleiten dat het toelaten van religieuze symbolen juist bijdraagt aan een inclusieve maatschappij.

Regeringspartij VVD heeft een initiatiefwetsvoorstel ingediend dat een landelijk verbod moet regelen voor het dragen van religieuze uitingen, zoals hoofddoekjes, keppeltjes of kruisjes, door buitengewoon opsporingsambtenaren (boa's). Hoewel er in de Tweede Kamer al langere tijd een brede steun is voor een dergelijke maatregel, is het tot op heden niet tot een landelijke wetgeving gekomen.

VVD-Kamerlid Martens-America benadrukt in De Telegraaf dat religieuze symbolen niet thuishoren bij een uniform in een seculiere staat. Op dit moment bepalen gemeenten als werkgever zelf de kledingvoorschriften voor hun handhavers. Hoewel er een landelijke richtlijn bestaat voor 'lifestyle-neutraliteit', is deze niet bindend.

Hierdoor hebben steden zoals Amsterdam, Arnhem en Tilburg de ruimte gekregen om het dragen van religieuze uitingen onder bepaalde voorwaarden juist toe te staan. De VVD wil aan deze lokale verschillen een einde maken door middel van centrale wetgeving.

Gehoor geven aan de Raad van State

Met het indienen van een formele initiatiefwet kiest de VVD voor de route die vorig jaar werd geadviseerd door de Raad van State. Het kabinet-Schoof wilde een soortgelijk verbod destijds via een kabinetsbesluit (een Algemene Maatregel van Bestuur) opleggen.

De Raad van State oordeelde daar echter negatief over: omdat een verbod de grondwettelijke vrijheid van godsdienst inperkt, is zo'n ingrijpende maatregel alleen juridisch houdbaar via een volwaardige wetswijziging waarover zowel de Eerste als de Tweede Kamer zich kunnen uitspreken.

Verdeeldheid in de coalitie, maar Kamermeerderheid in zicht

Binnen de huidige coalitie van D66 en VVD zorgt het onderwerp voor verdeeldheid, aangezien er in het regeerakkoord geen afspraken zijn gemaakt over het boa-uniform. D66 heeft reeds laten weten tegen het voorstel te zijn; volgens de partij wordt neutraliteit bepaald door het handelen van een boa, niet door het uniform.

Het CDA heeft nog geen definitief standpunt ingenomen, maar staat wel achter het principe van eenduidige, landelijke regels en een neutrale lijn. Omdat oppositiepartijen zoals de PVV, JA21, BBB, SGP, ChristenUnie en SP in het verleden al aangaven voorstander te zijn van een neutraal uniform, lijkt er in de Tweede Kamer desondanks een ruime meerderheid voor het voorstel te bestaan.

Discussie over inclusiviteit en rechtsbescherming

Het politieke initiatief legt een dieperliggend maatschappelijk debat bloot. Waar voorstanders hameren op een strikt neutrale uitstraling van de overheid, bepleiten diverse gemeenteraden dat het toelaten van religieuze symbolen juist bijdraagt aan een inclusieve maatschappij. Zij stellen dat handhavers hun werk prima onpartijdig kunnen uitvoeren met een geloofsuiting en wijzen erop dat een verbod met name moslimvrouwen belemmert op de arbeidsmarkt.

Dit sluit aan bij een eerdere uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens uit 2022, dat een dergelijk verbod destijds oormerkte als "stigmatiserend en ineffectief". Daarentegen stelt het Europees Hof van Justitie dat werkgevers het dragen van religieuze uitingen mogen verbieden, mits zij kunnen aantonen dat dit noodzakelijk is voor een neutrale uitstraling.

Of de nieuwe wet in de praktijk veel zal veranderen aan het straatbeeld is overigens nog de vraag. Uit een inventarisatie van de NOS in 2024 bleek dat er in gemeenten waar religieuze uitingen al wel waren toegestaan, zoals Utrecht, Arnhem en Tilburg, tot dan toe nauwelijks aanvragen voor waren binnengekomen.