Antwerpse scheepsagent en werknemers veroordeeld voor illegale wapendoorvoer naar Saudi-Arabië

De zaak kwam aan het rollen na een klacht van de vzw Vredesactie, die zich burgerlijke partij stelde. Uit het onderzoek van het federaal parket bleek dat Unamar optrad als agent voor een Saudische staatsrederij gespecialiseerd in militair transport.

By
De verdediging voerde aan dat het ging om 'transitgoederen' die aan boord bleven en niet werden overgeladen op de kade. / Reuters

De correctionele rechtbank in Dendermonde, België heeft op 10 februari 2026 het Antwerpse scheepsagentschap United Antwerp Maritime Agencies (Unamar) en drie van zijn medewerkers schuldig bevonden aan inbreuken op het Vlaamse Wapenhandeldecreet.

Het bedrijf faciliteerde jarenlang de doorvoer van militair materieel naar Saudi-Arabië zonder de vereiste vergunningen. De rechtbank oordeelde dat de beklaagden uit winstbejag handelden, ondanks de wetenschap dat de wapens ingezet konden worden in de oorlog in Jemen.

De zaak kwam aan het rollen na een klacht van de vzw Vredesactie, die zich burgerlijke partij stelde. Uit het onderzoek van het federaal parket bleek dat Unamar optrad als agent voor Bahri, een Saudische staatsrederij gespecialiseerd in militair transport.

Tussen oktober 2017 en mei 2019 faciliteerde Unamar zeven transporten waarbij schepen met militair materieel – voornamelijk afkomstig uit de Verenigde Staten – via de haven van Antwerpen naar Saudi-Arabië voeren. In 2020 volgde nog een poging tot transport, die echter werd tegengehouden door de dienst Controle Strategische Goederen (dCSG).

Geen vergunningen aangevraagd

De kern van de aanklacht was dat Unamar en de betrokken medewerkers nalieten de verplichte doorvoervergunningen aan te vragen.

De verdediging voerde aan dat het ging om 'transitgoederen' die aan boord bleven en niet werden overgeladen op de kade, waardoor er volgens hen geen vergunning nodig was. De rechtbank verwierp dit argument resoluut. Sinds een wetswijziging in juni 2017 geldt de vergunningsplicht in het Wapenhandeldecreet namelijk ook voor doorvoer zonder overlading. De rechtbank stelde vast dat de beklaagden hiervan op de hoogte waren; de overheidsdienst dCSG had hen hier in 2016 al voor gewaarschuwd.

Ook het verweer dat Unamar slechts als scheepsagent fungeerde en geen zicht had op de lading, hield geen stand. E-mailverkeer en financiële documenten toonden aan dat de beklaagden wisten dat er militair materieel aan boord was bestemd voor de Saudische strijdkrachten. Bovendien waren zij zich bewust van hun verantwoordelijkheid om de vergunningen te regelen.

Oorlog in Jemen

Een belangrijk aspect in het vonnis was de ethische en geopolitieke context. De verdediging stelde dat er geen wapenembargo tegen Saudi-Arabië gold. De rechter oordeelde echter dat er wel degelijk een reëel risico bestond dat het materieel gebruikt zou worden voor het plegen van oorlogsmisdaden in Jemen.

De rechtbank verwees naar rapporten van de VN en het beleid van de Vlaamse en federale overheid, die terughoudend waren geworden met exportvergunningen naar de regio. De beklaagden waren op de hoogte van de situatie in Jemen, maar kozen volgens de rechter toch voor "louter economische motieven" en een "egoïstische ingesteldheid".

Straffen

De rechtbank legde de volgende straffen op:

  • Het bedrijf Unamar: Een effectieve geldboete van 120.000 euro.
  • De bestuurder: Een gevangenisstraf van 12 maanden met uitstel en een boete van 4.000 euro. Hij was van meet af aan betrokken en op de hoogte van de vergunningsplicht.
  • De lijnmanager: Een gevangenisstraf van 10 maanden met uitstel en een boete van 4.000 euro. Hij werd vrijgesproken voor de poging in 2020 omdat hij toen niet meer in dienst was.
  • De bediende: Zij kreeg opschorting van straf, omdat haar rol in de zeven effectieve transporten niet onomstotelijk bewezen kon worden, hoewel ze wel betrokken was bij de poging in 2020.

De vordering van Vredesactie werd gegrond verklaard; de beklaagden moeten een symbolische schadevergoeding van 1 euro betalen. Bij de strafmaat hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, maar ook met de onredelijk lange duur van het gerechtelijk onderzoek.