Von der Leyen noemt afkeer van kernenergie 'strategische fout', neemt nieuwe koers
Om de afhankelijkheid van fossiele import te verkleinen, investeert de EU 200 miljoen euro in kleine modulaire kernreactoren (SMR's). Deze compacte, efficiënte reactoren moeten tegen begin jaren 2030 zorgen voor betrouwbare, schone stroom.
Tijdens de nucleaire top in Parijs heeft de Europese Commissie plannen gepresenteerd om tegen het begin van de jaren 2030 kleine modulaire kernreactoren (SMR's) operationeel te hebben in Europa. Commissievoorzitter Ursula von der Leyen noemde de eerdere Europese afkeer van kernenergie een "strategische fout" die de EU structureel kwetsbaar heeft gemaakt voor geopolitieke schokken en volatiele energieprijzen.
Geopolitieke kwetsbaarheid en een beleidswijziging
De aanhoudende oorlog in het Midden-Oosten en de daarmee gepaard gaande verstoringen, zoals de sluiting van de belangrijke Straat van Hormuz, hebben de Europese afhankelijkheid van dure, geïmporteerde fossiele brandstoffen pijnlijk blootgelegd. Waar kernenergie in 1990 nog voor een derde van de Europese elektriciteit zorgde, is dat aandeel inmiddels gedaald tot ongeveer 15 procent.
De Europese Commissie bepleit nu een energiemix waarin hernieuwbare bronnen en kernenergie de gezamenlijke garanten vormen voor Europese onafhankelijkheid en industriële concurrentiekracht.
Wat zijn SMR's en hoe worden ze gefinancierd?
Om deze inhaalslag te maken, richt de EU zich specifiek op een nieuwe generatie reactoren.
Deze zogeheten 'Small Modular Reactors' (SMR's) verschillen op een aantal fundamentele punten van traditionele kerncentrales:
- Lagere capaciteit: Ze produceren maximaal 300 megawatt (MW), wat neerkomt op ongeveer een derde van de capaciteit van een klassieke reactor.
- Modulaire bouw: De gestandaardiseerde onderdelen kunnen in fabrieken in massa worden geproduceerd en vervolgens via vrachtwagens of schepen naar de definitieve locatie worden vervoerd voor assemblage.
- Gerichte toepassing: Ze zijn ontworpen om consistente, weersonafhankelijke stroom en warmte te leveren aan bijvoorbeeld zware industrieën en grote datacentra.
Om de ontwikkeling te versnellen, stelt de Europese Commissie een garantie van 200 miljoen euro beschikbaar. Deze fondsen, afkomstig uit het Europese emissiehandelssysteem (ETS), moeten financiële risico's verkleinen en private investeringen stimuleren. Tevens wil de Commissie de regelgeving en vergunningsprocedures tussen de verschillende lidstaten harmoniseren.
Brede Europese steun, maar met nationale accenten
De plannen kunnen rekenen op steun van diverse Europese leiders. De Franse president Emmanuel Macron benadrukte in Parijs dat nucleaire energie essentieel is voor de Europese soevereiniteit en pleitte voor het standaardiseren van reactorontwerpen.
Ook de Belgische premier Bart De Wever sprak zich uit voor SMR's als een noodzakelijke motor voor industriële transformatie. België is inmiddels teruggekomen op de eerdere beslissing voor een volledige kernuitstap. In de marge van de top voerde De Wever bovendien gesprekken met Macron om steun te zoeken voor de lopende onderhandelingen met energiebedrijf Engie over de Belgische nucleaire toekomst.
De roep om kernenergie klinkt ook steeds luider in landen die de technologie eerder de rug toekeerden. Zo noemde de Duitse bondskanselier Friedrich Merz de eerdere sluiting van de Duitse kerncentrales onlangs een zware strategische fout.
Hij pleit nadrukkelijk voor een terugkeer naar kernenergie via deze nieuwe generatie kleine reactoren. Verder zetten landen als Tsjechië, Polen en Hongarije al concrete stappen, waarbij de Hongaarse premier Viktor Orbán de SMR-technologie ziet als onmisbaar voor de industriële ontwikkelingen in zijn land.
Kritiek op haalbaarheid, kosten en geopolitieke banden
Ondanks het politieke enthousiasme stuit de nucleaire koerswijziging op forse kritiek. Europarlementariër Mohammed Chahim wees erop dat de SMR-technologie wereldwijd nog in de kinderschoenen staat en waarschuwde ervoor dit niet als de "heilige graal" van de energietransitie te beschouwen.
Daarnaast werd de top in Parijs verstoord door activisten van Greenpeace. Zij wezen op de aanhoudende Europese import van verrijkt uranium uit Rusland—zo haalt de Franse nucleaire sector nog steeds aanzienlijke hoeveelheden brandstof uit Rusland—en stelden dat de nucleaire industrie de Russische oorlogskas indirect blijft spekken.
Tot slot uiten diverse milieuorganisaties, waaronder het Environmental Europe Bureau (EEB), hun bezorgdheid dat het vrijmaken van publiek geld voor dure, deels nog onbewezen nucleaire projecten direct ten koste zal gaan van noodzakelijke investeringen in reeds bewezen alternatieven, zoals wind- en zonne-energie.