De stijging werd vooral aangevoerd door raffinaderijen en chemische bedrijven. Hun totale omzet lag ongeveer 31 procent hoger. De belangrijkste reden hiervoor was de olieprijs, die met meer dan 40 procent steeg als gevolg van wereldwijde onrust en problemen met het olietransport.
Daardoor stegen de prijzen van brandstoffen en chemische producten, ook al produceerden of verkochten bedrijven niet per se meer. Ook hun inkoopkosten stegen, wat aangeeft dat een hogere omzet niet noodzakelijkerwijs leidt tot grotere winsten.
Hogere olieprijzen kunnen uiteindelijk onder meer gevolgen hebben voor benzine, diesel, transport, vliegtickets en verpakkingen. De omzetcijfers van de sector geven echter geen duidelijk beeld van de kosten voor de consument.
De groei werd ook ondersteund door de sector elektrotechniek en machinebouw, die een omzetstijging van 6,8 procent kende. Deze sector exporteert talrijke machines, onderdelen en installaties, wat zou kunnen duiden op een grotere buitenlandse vraag, hoewel prijsstijgingen en sporadische grote orders hier ook aan kunnen bijdragen.
Niet elke sector kende groei
De voedings- en drankensector kende een omzetdaling, deels doordat producenten voor bepaalde artikelen lagere prijzen kregen. Dit betekent niet dat levensmiddelen meteen goedkoper worden: tussen producent en consument zijn er onder andere kosten voor verpakking, opslag, transport, energie en winkelruimte.
In hoeverre lagere producentenprijzen doorwerken in de supermarkten, hangt af van de duur van de daling en de prijsafspraken in de toeleveringsketen. Daarom wijzen de gegevens vooral op aanzienlijke omzetstijgingen in euro's, en niet zozeer op een even grote stijging in de productie of de economie als geheel.





















