Nederland stelde dat daden van genocide de vorm kunnen aannemen van uithongering en het opzettelijk achterhouden van humanitaire hulp, en dat deze een belangrijke rol kunnen spelen bij het vaststellen van de intentie tot genocide.
Het land verklaarde in zijn verklaring dat, gezien het verbod op genocide als een dwingende norm van het internationaal recht en de verplichtingen uit hoofde van het Genocideverdrag, waarbij alle staten een gemeenschappelijk belang hebben bij het waarborgen van de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag.
Verwijzend naar de verklaring van het Internationaal Gerechtshof in zijn eerste beschikking over voorlopige maatregelen in de zaak, stelde Nederland dat zijn interventie betrekking heeft op de interpretatie, toepassing en uitvoering van het Verdrag.
Gedwongen verplaatsing kan een daad van genocide vormen
Nederland stelde dat gedwongen verplaatsing, afhankelijk van de feiten, kan overeenkomen met of leiden tot een van de onderliggende daden van genocide en een belangrijke rol kan spelen bij het vaststellen van opzet.
Het betoogde dat gedwongen verplaatsing kan leiden tot een van de onderliggende daden die worden genoemd in de artikelen van het Genocideverdrag en tevens bewijs kan vormen van specifiek opzet tot genocide. Nederland stelde ook dat gedwongen verplaatsing ernstige lichamelijke of geestelijke schade kan veroorzaken of daartoe kan bijdragen, wat verboden is volgens het Verdrag.
Nederland benadrukte dat gedwongen verplaatsing niet alleen kan leiden tot of overeenkomen met onderliggende daden van genocide, maar ook kan dienen als bewijs van specifieke genocidale opzet.
Daden tegen kinderen moeten anders worden beoordeeld
Hiernaast stelde het land dat daden tegen kinderen anders moeten worden beoordeeld en dat dergelijke daden een belangrijke rol kunnen spelen bij het vaststellen van specifieke genocidale opzet.
Ook stelde het zich op het standpunt dat, gezien de specifieke behoeften en kwetsbaarheid van kinderen, een lagere drempel moet gelden bij de beoordeling van “ernstig lichamelijk of geestelijk letsel” wanneer het slachtoffer een kind is.
Nederland presenteerde ook zijn standpunten over het vaststellen van specifieke opzet en stelde dat de rechtbank bij de interpretatie van de vereisten van artikel 2 van het Genocideverdrag het richten op kinderen op verschillende manieren in overweging kan nemen.
Het benadrukte dat het doelgericht aanvallen op kinderen kan dienen als bewijs van genocidale opzet en relevant is voor het vaststellen van intentie en het interpreteren van wat de vernietiging van een groep in haar geheel of gedeeltelijk inhoudt.
Uithongering en het belemmeren van hulp kunnen handelingen van genocide vormen
Nederland stelde dat uithongering en het opzettelijk achterhouden van humanitaire hulp onderliggende handelingen van genocide kunnen vormen en een belangrijke rol kunnen spelen bij het vaststellen van genocidale opzet.
Het betoogde dat handelingen die levensomstandigheden creëren die zijn berekend om de fysieke vernietiging van een groep teweeg te brengen, niet beperkt zijn tot methoden die onmiddellijke dood tot gevolg hebben. Ook merkte het op dat dergelijke handelingen erop gericht moeten zijn om uiteindelijk tot de fysieke vernietiging van de groep te leiden, en dat dit niet vereist dat er daadwerkelijk fysieke vernietiging plaatsvindt, maar veeleer dat de omstandigheden erop gericht zijn tot een dergelijke vernietiging te leiden.
Nederland stelde dat de rechtbank rekening moet houden met uithongering en het opzettelijk onthouden van humanitaire hulp, met name wanneer dit gebeurt op basis van een gecoördineerd plan of een consistent gedragspatroon. Ook stelde het dat de verplichting om genocide te voorkomen een zorgvuldigheidsverplichting is en dus een gedragsplicht.
Naast Nederland hebben ook Colombia, Libië, Mexico, Palestina, Spanje, Türkiye, Chili, de Malediven, Bolivia, Ierland, Cuba, Belize, Brazilië, de Comoren, België, Paraguay, Noorwegen, IJsland, Namibië, de VS, Hongarije en Fiji verklaringen van interventie ingediend in de zaak tegen Israël.
Hoewel de interventies van veel landen aansluiten bij de argumenten van Zuid-Afrika, weerspiegelen de verklaringen van Paraguay, de VS, Hongarije en Fiji gedeeltelijk argumenten die vergelijkbaar zijn met die van Israël.
Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Canada hebben niet ingegrepen
Soortgelijke argumenten als die van Nederland werden ook aangevoerd in een gezamenlijke interventieverzoekschrift van Canada, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk in de zaak die Gambia tegen Myanmar had aangespannen in verband met beschuldigingen van genocide tegen Rohingya-moslims.
Van deze zes landen heeft echter alleen Nederland zich gemengd in de genocidezaak tegen Zuid-Afrika, terwijl Duitsland, Canada, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken zich van interventie onthielden, wat leidde tot opmerkingen over dubbele maatstaven en inconsistentie.
Het Centrum voor Informatie en Documentatie over Israël (CIDI), een pro-Israëlische lobbyorganisatie in Nederland, maakte bezwaar tegen de interventie van het land.
In een verklaring op sociale media zei het CIDI dat de interventie aantoont dat Nederland zich niet heeft gedistantieerd van Zuid-Afrika en beschreef dit als zeer zorgwekkend, eraan toevoegend dat Nederland zich niet distantieert van de pogingen van Zuid-Afrika om de definitie te verruimen.
Het CIDI voerde ook aan dat, hoewel de Nederlandse regering niet verplicht is het parlement te raadplegen over een dergelijk besluit, het gepaster zou zijn geweest dit wel te doen.
Zuid-Afrika's genocidezaak tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof
De Republiek Zuid-Afrika heeft op 29 december 2023 een zaak aanhangig gemaakt bij het Internationaal Gerechtshof, waarin het beweert dat Israël het VN-Verdrag van 1948 inzake de voorkoming en bestraffing van de misdaad van genocide heeft geschonden.
Zuid-Afrika heeft het hof verzocht om voorlopige maatregelen vanwege de urgentie van de humanitaire situatie in Gaza, waarop het op 26 januari, 28 maart en 24 mei 2024 drie afzonderlijke beschikkingen inzake voorlopige maatregelen heeft gegeven.
In deze beslissingen werd Israël verzocht alle nodige maatregelen te nemen om handelingen zoals omschreven in artikel 2 van het Genocideverdrag te voorkomen, ervoor te zorgen dat zijn leger dergelijke handelingen niet pleegt, onmiddellijk maatregelen te nemen om genocide te voorkomen, met name het staken van militaire operaties in Rafah die een risico op genocide kunnen opleveren, en regelmatig aan het Hof verslag uit te brengen over de genomen maatregelen.
In een latere verklaring werd aangegeven dat ondanks het staakt-het-vuren van 10 oktober 2025 en drie bindende uitspraken van het Internationaal Gerechtshof waarin Israël wordt opgedragen daden van genocide te voorkomen en te zorgen voor de onmiddellijke en onbelemmerde levering van essentiële diensten en humanitaire hulp, de Israëlische aanvallen, slachtoffers en de erbarmelijke levensomstandigheden in Gaza voortduren.













