Dinsdag keurde de Tweede Kamer met een zeer krappe meerderheid van 76 stemmen een door de PVV ingediende motie goed, waarin de regering wordt verzocht de Moslimbroederschap en aanverwante organisaties in Nederland te verbieden.
In het voorstel verwijzen de indieners, Maikel Boon en Geert Wilders, naar een rapport van de Franse regering uit mei 2025 waarin wordt gewaarschuwd voor vermeende, langdurige infiltratie door de Moslimbroederschap via scholen, moskeeën en maatschappelijke organisaties om politieke macht te verwerven.
In de motie wordt verwezen naar een rapport uit Frankrijk van mei vorig jaar en een daaropvolgende resolutie van het Franse parlement waarin de Europese Commissie wordt verzocht de Moslimbroederschap op de lijst van terroristische groeperingen te plaatsen. Het Franse dossier is omstreden: tegenstanders wijzen op de mogelijke invloed van de Verenigde Arabische Emiraten, terwijl deskundigen stellen dat de macht van de Broederschap waarschijnlijk afneemt.
Bestempeldt als ‘geen gevaar’
De Moslimbroederschap, die zich is gevormd uit steun voor de Palestijnse kwestie, wilt de gevaren van het zionistische regime in Israël benadrukken en pleitte voor de bevrijding van Palestina.
Verschillende landen, zoals Saoedi-Arabië, Egypte, de VAE, Bahrein en Jordanië, hebben de Broederschap al verboden; in Europa was Oostenrijk het enige land dat deze maatregel in 2021 nam. In Frankrijk, België en Duitsland steunden ministers de maatregelen, maar zagen zij af van het opleggen van een officieel verbod.
Eerder had de Broederschap het bestempelen van de groep als een “gewelddadige terroristische” organisatie door Saoedi-Arabië aan de kaak gesteld.
In 2011 verwees ook de Nederlandse inlichtingendienst AIVD voor het laatst naar de Moslimbroederschap in Nederland, waarbij werd opgemerkt dat de groep geen gevaar vormde voor het democratisch rechtssysteem.
Oud propaganda
Deskundigen zoals Joas Wagemakers zijn van mening dat het politieke effect groter is dan het praktische effect: een motie fungeert als een parlementair verzoek en garandeert geen verbod; de uitvoering ervan zou maatregelen van het kabinet en mogelijk juridische stappen vereisen. Wagemakers stelt dat de Broederschap in algemene zin legaal opereert, geen radicale groepering is en zich onthoudt van geweld.
Hij waarschuwt bovendien dat veel van de kritiek op de beweging lijkt op oude Egyptische propaganda en terugkerende stereotypen.
Daadwerkelijk verbod niet realistisch
Mocht het kabinet besluiten een verbod af te dwingen, dan stuit het op juridische en bewijskundige hindernissen, zoals het definiëren van “gelieerde organisaties”, het aantonen van crimineel of onwettig gedrag, en bezorgdheid over de vrijheid van vereniging en godsdienst. Politieke signalen kunnen internationale reacties uitlokken, zeker gezien de discussies in andere Europese landen en het Franse rapport waarnaar de wetgevers verwijzen.
Als resultaat kan de aangenomen motie van de PVV als symbolisch en politiek significant worden beschouwd, aangezien een daadwerkelijk verbod in Nederland uitgebreide vervolgstappen, juridische interpretaties en nieuwe veiligheidsbeoordelingen vereist.












