Van Dijk wees op een uitkoopregeling voor veehouders die gericht is op het verminderen van de stikstofuitstoot, waardoor boeren hun dieren en boerderijen kunnen verkopen terwijl ze eigenaar blijven van de grond. Hij merkte op dat veel van deze boeren de grond verhuren aan aardappel- en lelietelers.
“Het resultaat is dat de stikstofuitstoot wordt verminderd, maar dat je in ruil daarvoor pesticiden krijgt. Dat is ook niet goed voor de natuur”, legde Van Dijk uit.
De raad adviseerde om de landbouwactiviteiten op te splitsen in productiegerichte landbouw in geschikte gebieden. Hij stelde dat duurzaamheid gemakkelijker te sturen zou zijn als de overheid grond zou kopen en intensieve boeren in de buurt van kwetsbare natuurgebieden in staat zou stellen te verhuizen naar gebieden die beter geschikt zijn voor productieve landbouw.
Hoge prijs van landbouwgrond
De raad benadrukte ook dat het onderliggende probleem dat duurzaamheidsinspanningen in de weg staat, de hoge prijs van landbouwgrond is.
“Deze dure grond moet voldoende inkomsten genereren, en dat stimuleert intensief gebruik. Bovendien is grond een goede investering, dus veel boeren gebruiken het voor hun pensioen. Het geld dat ze in grond investeren, wordt niet geïnvesteerd in duurzaamheid”, aldus Van Dijk.
De raad stelde ook dat de overheid verantwoordelijk was voor de hoge grondprijzen.
“De overheid kan subsidies en belastingregels zodanig hervormen dat de stijging van de grondprijzen wordt getemperd en dat ze alleen (minder intensieve) sociale landbouw stimuleren”, voegde Van Dijk toe.










