WERELD
5 min lezen
Onderzoek onthult eeuwenlange steun en verrijking van Oranjes door kolonialisme
De koning gaf aan dat het rapport een pijnlijk gebrek aan leiderschap blootlegt op momenten dat het een verschil had kunnen maken. Hij sprak uit dat hij de uitkomsten aanvaardt en deze ziet als een aansporing om bij te dragen aan herstel.
Onderzoek onthult eeuwenlange steun en verrijking van Oranjes door kolonialisme
Koning Willem-Alexander noemde de resultaten "schrijnend, confronterend en onverbloemd".

Een grootschalig, onafhankelijk onderzoek naar het verleden van het Huis Oranje-Nassau toont aan dat de Nederlandse koninklijke familie eeuwenlang overtuigde steun heeft verleend aan het kolonialisme en de slavernij.

De dynastie heeft hierin een actieve rol gespeeld en er grote financiële winsten uit gehaald. Het vijfdelige rapport, dat meer dan 2000 pagina's beslaat, werd door hoofdonderzoeker Gert Oostindie in het Academiegebouw van de Universiteit Leiden overhandigd aan koning Willem-Alexander.

Het onderzoek en de rol van het Huis Oranje-Nassau

Het onderzoek bestrijkt de periode van het einde van de zestiende eeuw tot het heden en werd uitgevoerd door meer dan zestig onderzoekers onder leiding van een commissie bestaande uit Gert Oostindie, Esther Captain, Kathleen Ferrier en Henk te Velde. De belangrijkste conclusie is dat het Huis Oranje-Nassau vanaf de zeventiende eeuw zonder wezenlijke bedenkingen betrokken was bij het kolonialisme.

Alle stadhouders, koningen en koninginnen tot het aantreden van koningin Juliana in 1948 beschouwden kolonialisme als een legitiem en essentieel onderdeel van het Nederlandse belang. Koloniale oorlogen en het gewelddadig neerslaan van opstanden werden door de vorsten als onvermijdelijk en gerechtvaardigd gezien.

Hoewel de onderzoekers nauwelijks expliciet racistische uitspraken van familieleden aantroffen, steunden de Oranjes wel beleid dat gebaseerd was op Europese en witte superioriteit. Volgens Oostindie biedt de tijdsgeest geen verontschuldiging, aangezien er ook in die tijd kritische geluiden en anti-slavernij-ideën rondgingen waar de vorsten een voorbeeld aan hadden kunnen nemen.

Ondanks hun voortdurende symbolische en ideologische steun was de feitelijke invloed van de Oranjes op het koloniaal beleid over het algemeen beperkt. Het beleid werd grotendeels bepaald door de Staten-Generaal, de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC).

Alleen koning Willem I (1813–1840) stuurde de koloniale koers vrijwel eigenhandig aan; hij zocht in 1828 zelfs actief naar mogelijkheden om wetgeving over slavenhandel te omzeilen. Zijn opvolgers, Willem II en Willem III, steunden de afschaffing van de slavernij evenmin, waarna hun politieke macht door de opkomst van het parlement geleidelijk afnam.

Financiële winsten uit de koloniën

Het kolonialisme verschafte de koninklijke familie niet alleen internationaal en nationaal aanzien, maar leverde ook aanzienlijke financiële voordelen op. Met name in de negentiende eeuw verdiende de familie circa een half miljard euro (omgerekend naar huidige maatstaven) aan de koloniën. Deze inkomsten waren in beslissende mate afkomstig van de VOC en Nederlands-Indië, het huidige Indonesië.

Aan de trans-Atlantische slavenhandel en de Caribische slavernij verdiende de familie daarentegen vrijwel niets. Dat kwam niet door een gebrek aan bereidheid, maar doordat de WIC verliesgevend was voor de Oranjes.

Wel ontvingen de stadhouders en vorsten uit hoofde van hun functie toelages van koloniale bedrijven, wat over een periode van twee eeuwen een bedrag van ongeveer 86 miljoen euro opleverde. Dit heeft overigens nauwelijks bijgedragen aan het huidige vermogen van het koningshuis, doordat stadhouder Willem V het land in 1795 in berooide staat moest ontvluchten.

Confronterende reactie van koning Willem-Alexander

Koning Willem-Alexander, die het onderzoek in december 2022 zelf initieerde en financierde, noemde de resultaten "schrijnend, confronterend en onverbloemd". Hij benadrukte dat de studie volstrekt onafhankelijk is uitgevoerd door het onderzoeksteam volledige toegang te verlenen tot de koninklijke archieven.

De koning gaf aan dat het rapport een pijnlijk gebrek aan leiderschap blootlegt op momenten dat het een verschil had kunnen maken. Hij sprak uit dat hij de uitkomsten aanvaardt en deze ziet als een aansporing om bij te dragen aan herstel, verbinding en verzoening.

Deze houding sluit aan bij de excuses die hij op 1 juli 2023 al maakte voor het nalaten van zijn voorouders om op te treden tegen de Atlantische slavernij. Volgens de onderzoekers is hij hiermee de eerste Europese constitutionele vorst die zich in zulke duidelijke termen over het koloniale verleden heeft uitgesproken.

Maatschappelijke reacties en vervolgstappen

De bevindingen van het rapport hebben uiteenlopende reacties teweeggebracht binnen maatschappelijke organisaties. Bianca Groen Gallant van het kennisinstituut Ninsee verwelkomde de wetenschappelijke onderbouwing van het koloniale verleden en drong aan op vervolggesprekken over herstel en onderwijs.

Yvonne van Genugten van het Indisch Herinneringscentrum noemde de omvang van de verrijking via Nederlands-Indië schokkend, maar sprak haar waardering uit voor de wijze waarop de koning verantwoordelijkheid neemt.

Peggy Brandon van het Nationaal Slavernijmuseum benadrukte dat het rapport helpt om hardnekkige historische misvattingen te corrigeren, zoals het idee dat de koning in 1863 persoonlijk de slavernij heeft afgeschaft, en pleitte voor het aanpassen van de schoolboeken.

Er klinkt ook kritiek op de uitkomsten en het vervolg van het rapport. Diana Vlet van stichting SHS-GI wees op het voortdurende gebrek aan aandacht voor de inheemse slachtoffers van slavernij in Suriname en het Caribisch gebied.

Antiracismeactivist Mitchell Esajas maakte bekend zijn koninklijke onderscheiding terug te geven; hij stelt dat woorden over verzoening onvoldoende zijn zolang er geen nationale route naar economisch en raciaal herstel komt.

Premier Jetten verduidelijkte namens het kabinet dat er geen aanvullende herstelbetalingen zullen plaatsvinden bovenop het reeds gereserveerde bedrag van 200 miljoen euro voor educatie en herdenkingen.